Ik ben geen hugger

Verwacht van mij geen warme omhelzing om het nieuwe jaar in te luiden. Of een hand. Ik wens jullie alle goeds, maar met uitzondering van partner houd ik niet van close contact. Tenzij je een paard bent. Dan ben ik all over you. Of een hond of een kat of een kip… alle beesten eigenlijk wel.

Ik had rond oud en nieuw een paar rustige dagen. Nog wel wat lesjes, administratie afronden, dat soort zaken. Maar er was ook, voor het eerst sinds lange tijd, gelegenheid om eens op de bank te zitten en met uitzicht op de paarden zaken te overdenken. Soms geïnspireerd door oudjaarsreflecties die op social media voorbij kwamen. Verhalen vol inspiratie, plannen en juichende ‘wegaanertegenaan’ tjakka’s. Ik heb dat namelijk allemaal niet.

Uit het oog, uit het hart

Nu ik me erbij heb neergelegd dat een terugkeer in de sport voor DD geen optie is, begin ik daar steeds meer rust in te vinden. Ik heb er lang mee geworsteld, gesparteld zelfs. Alsof mijn identiteit verbonden is met die ring ingaan. En in zekere zin heb ik ontdekt dat het ook zo werkt. Want nu ik niet meer start ben ik op een bepaalde manier minder zichtbaar. Ik jureer nog wel overal en nergens. Maar je wordt toch anders bekeken als je niet meer zelf die ring inrijdt. Het lijk wel -zeker in eigen omgeving- dat de hoeveelheid en kennis en ervaring die ik in al die jaren heb opgedaan ineens niet meer telt. Als je professor bent wordt diepgang als waardevol gezien. Als je zoveel hebt gestudeerd op paardenaangelegenheden, dan wordt het afgedaan als oud gezeur.

Je kan er ook eens naar luisteren he…

Is het iets van alle tijden? Ik zie jonge(re) instructeurs af en toe met veel overtuiging iets roepen, waar ik een totaal andere visie op heb. Wat natuurlijk kan hè, iedereen zo z’n aanpak. Dat wordt soms ook letterlijk gezegd, het is goed dat er meerdere smaken zijn. En dat ben ik ook wel ten dele met ze eens. Maar een paard blijft wel altijd een paard. Het betekent ook niet automatisch dat een (mijn) andere visie een minderwaardige is. Het gaat daarbij wel om de uitleg. “Hij neemt je in de maling”, is niet meer van deze eeuw. Er zit een nuanceverschil tussen adequaat leiding geven en ‘weten wie de baas is’.

Een paard gaat niet beter luisteren van dwang

Ben ik als instructeur veranderd? Ik denk het wel. Ik heb zoveel meer geleerd over paardengedrag, het paardenlichaam, de diepere achtergronden en nog steeds verdiep ik me daar iedere gelegenheid die ik heb in. Dwang, pijnprikkels, vastbinden? Allemaal korte termijn oplossingen met risico op blessures. Maar, zoals goede vriendin en superdokter Yteke altijd zegt: er vloeit geen bloed uit. Daardoor zie je nooit meteen of je ergens schade mee aanricht. En vaak geeft een paard zich aanvankelijk over, waardoor het lijkt alsof iets een oplossing is. Zie je wel, nu doet hij wat ik wil. Waarbij rijden dan even is gereduceerd tot gehoorzaamheid en onderwerping. Maar dat vinden de meeste mensen wel lekker, met onze behoefte aan controle en bij velen de eigenlijk onderliggende angst.

Niet bellen als het mis gaat

Ik kan het uitleggen waarom mijn aanpak is wat het is. Het is niet uit de lucht gegrepen. Maar de energie om daarvoor op de barricaden te gaan wordt minder. Als je liever een quick fix wilt ga je toch lekker naar die ander? Als je mij niet wilt geloven, graas dan lekker het internet af tot je iets vindt wat past bij wat je toch al in je hoofd had. Geef ‘m een poedertje in plaats van je probleem uiteen te rafelen en in kleine stapjes -ja, dat duurt- te repareren. Ik word berustend. Dan toch niet? Ik voel steeds minder de behoefte om aan te halen wie en wat ik ben. Het wordt vast een rustig jaartje.

Braver paard nodig? Leer eerst rijden…

Ik heb sinds kort om de week een nieuw groepje lessers. In het verleden werd het de stofdoekenclub genoemd, maar dat vonden ze niet passend. Het is nu dus de prosecco-groep gedoopt.

De doelgroep bestaat uit recreatieruiters met pony’s en paarden van zeer divers pluimage. Het idee is vooral om plezier te hebben met hun rijdieren, onderling en daarbij ook nog wat te leren. Maar zonder druk of verwachtingen. Zeg maar het nastreven van dat gevoel waarom we allemaal zijn gaan rijden. Plezier met je paard en ondertussen spelenderwijs dingen doen, waardoor dat rijden voor beide leuker, makkelijker, lichter wordt. Als instructeur best een uitdaging. Het zijn niet de standaard KWPNers die in de bak verschijnen. Wat er wel loopt heeft een gemene deler: ze zijn allemaal braaf.

We zoeken allemaal die brave topper

Deze week verscheen er een stuk in een hippisch tijdschrift, waarin deskundigen hun mening gaven over het punt karakter en of dat niet zwaarder moest meewegen bij keuringen. Dat leverde een interessante discussie op. Uiteraard was er een grote groep die daar luid ‘ja’ op zei. Met als argument dat er maar een kleine groep toppers is die met die kokendhete lastpakken van tegenwoordig overweg kan. Voor de maneges en recreatieruiters is het zoeken met een lantaarntje naar die ene brave, die dan ook nog gezond is. Dan heb ik het puntje betaalbaarheid nog niet eens aangestipt. Natuurlijk kunnen ze zich wenden tot andere rassen of dravers, wat ze ook vaak doen. Maar die hebben qua bouw meestal een andere aanleg en zijn niet allemaal automatisch braaf. Ik wijs terloops even op de groeiende hoeveelheid paarden uit Spanje en Portugal, die soms toch wat minder makkelijk blijken dan is voorgespiegeld.

Het perfecte paard

Wat verstaan we eigenlijk onder dat karakter? Ik denk dat door de massa vooral wordt bedoeld dat een paard niet bokt, er vandoor gaat of zich anderszins probeert van de ruiter te ontdoen. De wat ambitieuzere ruiter wil dat ook, maar dan wel gecombineerd met looplust en enige lenigheid. Een paard waar je niet steeds aan hoeft te duwen, maar die toch bij je blijft en ook nog gewillig probeert te doen wat menigeen op een onduidelijke en gebrekkige wijze aan hem vraagt. Een soort heilige eigenlijk.

Het dwingt je beter te worden

Veel ruiters roepen op tot het fokken van meer vergevingsgezinde paarden, laconieker of docieler, als je het zo wilt stellen. Voor de wat ouder wordende ruiters onder ons eveneens een fijn idee, een paard waar je niet iedere keer je nek op waagt, want die wordt toch echt minder flexibel. Er werd echter een ander punt opgeworpen wat me aan het denken zette. Als we dan meer van die laconieke paarden krijgen, houdt dat niet een risico in voor het welzijn? Want het mag je nooit ontslaan van de verplichting om rijkunstig het juiste te doen. Als je een scherpe op een correcte, paardvriendelijke manier opvoedt en opleidt, kan deze uitgroeien tot een fijn berijdbaar voorwaarts paard. Maar door die scherpte worden fouten op dit gebied vaak ongenadig afgestraft. Helaas vaak met consequenties voor toekomstig gedrag van dat paard, want wat eenmaal in de amygdala zit krijg je er niet zomaar meer uit. Maak je die fouten op een van nature ‘makkelijker’ paard, dan merk je dat misschien niet zo, terwijl ze natuurlijk net zo erg zijn. Met als bijkomend gevolg dat je dan niet leert van je fouten en ze dus weer maakt…

Ook op een brave wordt heel wat afgemarteld

Het is hetzelfde dilemma wat je hebt als je in een ring moet jureren met ‘enge’ dingen langs de rand. ‘Moeten ze maar aan wennen’, is vaak de reactie van de toeschouwers. Maar ben je dan bezig met een wedstrijd wie is de beste of wie is de braafste? Het kan betekenen dat de beste rijkunst wint, maar soms is het die ene die bijna klinisch dood is en daardoor als enige de hele ring door komt…

Ik vind voor beide denkwijzen wat te zeggen. Ook ik heb ze uiteraard graag meewerkend en braaf. Hoewel die er dus niet nadrukkelijk om vragen, verdienen ze misschien wel meer respect, waardering én correcte behandeling. Je bent het aan je paard verplicht om te blijven werken aan je houding, zit, fitheid en jezelf voortdurend te scholen, bijvoorbeeld ook in de nieuwste ontdekkingen op welzijnsgebied. En niet alleen dat, je moet daar wat mee doen. Ik griezel van het haast standaard gebruik van de strak vastgehouden slofteugel of andere ‘hulpmiddelen’, niet gehinderd door kennis van wat dat aanricht, gewoon omdat het door de omgeving als normaal wordt ervaren om op die manier ‘controle’ over een paard te houden. Kan je niet anders of weet je niet dat dit anders kan? Is het angst, gemakzucht, onwetendheid of noodzaak om niet te verongelukken?

Lang leve de lol

Ik probeerde dit karakter-dilemma te bespreken met partner, naast hem in de auto. Hij keek glazig opzij. Of ik dacht dat het hem ook maar enigszins interesseerde. Geen bal. En met hem 99,99 procent van de wereld. Om het maar even in perspectief te plaatsen.

De proseccogroep maakt het niet uit dat ze geen flashy showpaarden hebben. Zij rijden voor de lol en willen dat op hun manier zo goed mogelijk doen. Ik heb daar aardigheid in, het gaat een beetje terug naar dat pure begin van het rijden. Het daagt me ook behoorlijk uit om voor hun niet allemaal even gemakkelijk gebouwde rijdieren passende oefeningen te verzinnen. Waarbij nog wat te lachen valt.

Onhandige handigheid

Wat mensen (en apen) van andere dieren onderscheidt is dat wij ‘handig’ zijn. Daarnaast hebben we als roofdieren onze ogen voor in ons hoofd staan. Eigenschappen waar je bij het paardrijden behoorlijk last van kunt hebben. Vooral als je aangeleerd krijgt om daar op een verkeerde manier gebruik van te maken.

Ik kom in den lande zowel als instructeur en als jurylid van alles tegen. Als ik iets zie dat me opvalt, negatief of positief, dan probeer ik daar vaak een praatje over aan te knopen. Het hoe en waarom boeit mij enorm. Wat me daarbij verontrust is de hoeveelheid keren dat ik te horen krijg dat iemand iets doet ‘omdat het zo is gezegd’. Ja, maar waarom dan? Je wilt toch weten wat het nut en de werking, de bedoeling ergens van is? Als iemand je zegt dat je elke dag drie rauwe aardappels moet eten vraag je je toch ook eerst af waarom in hemelsnaam?

Je bent toch geen deeg aan het maken…?

Zo ben ik op meerdere plekken ruiters tegengekomen die allerlei bewegingen met hun handen maakten. Kennelijk met de bedoeling om hun paard af te remmen. Dit varieerde van kneedbewegingen die, naarmate de plek van de overgang nadere en het paard nog steeds niet reageerde, steeds heftiger werden, tot een soort gerammel alsof je water van je natte handen schudt. Het leidde in geen van de gevallen tot een correcte overgang terug. In tegendeel. De paarden spanden hun spieren aan tegen het nare gevoel of probeerden het bit vast te pakken en juist harder weg te lopen. Ik vroeg de ruiters wat ze deden en wat ze wilden dat hun paard deed. Kneepjes geven om zachtjes af te remmen, was het antwoord. Zo hadden ze het geleerd. Had het effect? Nee. Maar omdat er geen andere oplossingen waren meegegeven, wisten deze ruiters niet beter dan nog heviger pompend door te kneden. Waardoor een bit in de gevoelige mond van een paard in een soort martelwerktuig verandert.

Don’t spill the champagne, dear

In de mond van een paard ligt een bit. Of je rijdt bitloos en dan heb je een hoofdstel dat druk op neus en kaken geeft. In beide gevallen speel je in op de gevoelige delen van het hoofd. Vandaar dat in allerlei handleidingen -ik bedenk me nu pas wat een grappig toepasselijk woord- een uitgebreide uitleg staat over de correcte manier om de teugels vast te houden en te bedienen. Met je handen in een vuist rechtop, de duimen als een dakje op de teugel, polsen licht gebogen, knokkels naar elkaar toe. Het enige dat scharniert zijn je polsen, ellebogen en schouders. Je vingers horen gesloten om de teugels, maar ontspannen. Dus niks geen gerommel met kneepjes of vingers. De één heeft het over het gevoel van twee kuikentjes die je uiteraard niet wilt doodknijpen. Ik heb ook al eens twee vochtige sponzen voorbij horen komen, die je niet op je droge broek wilt leegknijpen. John, mijn zeer gewaardeerde Engelse trainer, sprak liever over twee glazen champagne waaruit je niet mocht knoeien, maar die woonde dan ook op landgoed Goodwood. Overigens was zijn teugelvoering de meest perfecte die ik ooit heb gezien, aangeleerd bij de Spaanse rijschool en in Saumur. Ik ben daar tot op de dag van vandaag jaloers op.

Ze sloeg me

Mevrouw Barrau hamerde ook altijd op de correcte teugelvoering. Ze heeft me zelfs wel eens met een zweep op mijn vingers geslagen. Nou ja, getikt. Maar de bedoeling was duidelijk, mijn handen waren veel te beweeglijk. ‘Dráág je handen’, riep ze. ‘Alléén het gewicht van de teugels, voel zijn gedachten.’ Ze ging zelfs nog verder. In haar wanhoop over mijn handen pakte ze een haar-elastiekje, wat ik om de knokkel van mijn middelvinger moest doen, waarna ik die van de andere hand erin moest haken. Daardoor kunnen je handen alleen maar rechtop en niet uit elkaar. Probeer het maar eens, het rijdt afschuwelijk. Als je dat een hele les hebt gedaan wil je wel beter opletten dat je je handen stil en correct houdt. Ik zag onlangs iemand op facebook die ruiters een bit in hun handen gaf tijdens het rijden. Wat een slim idee! Het zorgt niet alleen voor een goede handpositie, het geeft je meteen het besef waar die mee zijn verbonden.

De oplossing ligt achter je

Nog los van die handhouding zijn wij mensen geneigd om alles wat we voelen met onze handen op te lossen. Omdat we ‘handig’ zijn. Wat op een paard niet handig is, omdat vrijwel alles wat er misgaat te maken heeft met achterbenen die niet ver genoeg buigen en onder het lichaam worden gezet. Probeer je problemen op te lossen met handen, dan blokkeer je die achterbenen juist nog meer. Komt nog bij dat wij ook geneigd zijn om naar onze handen te kijken wat we doen. Ook niet handig. Daarover een andere keer meer. Probeer nu eerst allemaal eens een weekje te rijden met zo’n elastiekje. Of met een bit tussen je handen. Of is dat in deze woke-tijd, waarin alles ‘leuk’ moet zijn en niet meer mag worden gezegd waar het op staat te dwingend? Bedenk dan maar dat je blij moet zijn dat ik je niet sla…